Direct naar de inhoud.

Geschiedenis van de watertoren

 

 Watertoren 6Watertoren 5Watertoren 4Watertoren 10

 

Druk met water

In de drinkwatervoorziening komt het voor, dat de weg van de bron tot de kraan erg lang wordt. Deze situatie deed zich in 1933 in Stadskanaal voor toen er plannen werden ontwikkeld om in de Kanaalstreek waterleiding aan te leggen. Het water zou dan helemaal vanaf Onnen (gemeente Haren) naar Stadskanaal moeten worden geperst. Technici hadden berekend dat buizen met zeer grote doorsneden nodig waren om ook in het gebied Musselkanaal en Ter Apel voldoende druk te halen. En dat betekende weer, mede in verband met de lengte van het leidingnet, dat er zware pompen nodig zouden zijn. Bijkomend nadeel was ook het verschil in terreinhoogte tussen Onnen en Stadskanaal (ca. 7 meter) en verschil in hoogte tussen Stadskanaal en Ter Apel (ca. 4 meter).

Een bak op pootjes
Deze technische problemen oplossen was in die tijd eigenlijk niet het grootste probleem. De financiële problemen waren veel groter. Na veel rekenwerk bleek, dat deze problemen voor een groot deel zouden kunnen worden opgelost door de bouw van een ‘bak op pootjes’; ofte wel een watertoren. De leidingen zouden dan een geringere doorsnede kunnen krijgen, de pompen zouden kleiner (minder vermogen) kunnen zijn en men zou ’s nachts als het waterverbruik gering was de overcapaciteit kunnen benutten om het reservoir in de watertoren te vullen. Overdag zou het reservoir onder druk van de valhoogte dan weer op het net kunnen lozen. Eigenlijk kwam het er dus op neer, dat pompstation Onnen overdag ‘rondom’ de toren een stuk voorzieningsgebied kwijt zou zijn.

Zekerheid over watertoevoer
Was er in het gebied veel afname dan zakte de druk in het net. Door zijn voorraad en de hoogte vulde het reservoir in de watertoren de ontbrekende hoeveelheid water in het leidingnet aan en hield daarmee de druk in stand. Was er in het gebied weinig afname dan steeg de druk in het leidingnet en kon pompstation Onnen, wanneer de druk boven de drempel van 27,60 meter kwam (bovenkant vloer van het reservoir) het reservoir vullen. Kortom, de toren zou de verbruikswisselingen uitstekend kunnen opvangen, terwijl de watervoorziening daardoor een stuk bedrijfszekerder zou worden.

De plaats
Toen de bouw van de toren uit het oogpunt van aanzienlijke besparing aan stroomkosten: gemakkelijker bediening van de pompen en een leidingnet met kleinere diameters dan ook noodzakelijk werd geacht, werd gekeken naar een plek in de omgeving waar de toren zou moeten verrijzen. Uitgezien werd naar een terrein, waarop de toren in verband met het lange kaarsrechte Stadskanaal reeds van verre zichtbaar zou zijn. Een betrekkelijk smal terrein, achter de brugwachterswoning bij de zogenaamde 1e Afdraai te Stadskanaal en in eigendom van de gemeente Groningen bleek het meest aan de gestelde eisen te voldoen. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid leverde geen ongunstig resultaat op. Onder een bovenlaag van veenachtige grond (1,80 tot 2 meter dik) bleek een laag fijn zand te zitten van ca. 12 meter. Aangezien op redelijke gronden kon worden aangenomen, dat deze zandlaag zich nog dieper zou voortzetten, werd besloten de toren op staal te funderen.

De architectuur
De esthetische verzorging van de toren (Amsterdamse School) deed ir. H.F. Mertens te Bilthoven. Constructie en berekening bleven geheel in handen van de Waprog. Het tot dan toe veel toegepaste watertorentype met ondersteuningsconstructie (acht randkolommen en vier middenkolommen, verbonden door twee stellen haaks kruisen balken) werd als minder economisch beoordeeld. Besloten werd dan ook de vier middenkolommen tot één middenkolom samen te trekken en de koppelbalken weg te laten. De zo verkregen constructie was aanmerkelijk eenvoudiger van opzet, zodat besloten werd tot uitvoering van deze plannen.

Monument
In 1993 is de watertoren op de lijst van gemeentelijke monumenten gezet. Sinds 1994 is de gemeente Stadskanaal de trotse eigenaar van de toren. Sinds 2000 is de toren ook Rijksmonument.